Het traditionele voetbal krijgt concurrentie. Het is te zeggen, voetbal zoals we dat kennen, blijft bestaan en het zijn veeleer de minivoetbal-, futsal- en zaalvoetbaltakken die in zekere zin worden samengevoegd om hun media-aandacht collectief af te staan aan dit nieuwe format.

Waar zitten Mertens en Vertonghen?

Toen Dries Mertens en Jan Vertonghen hun nieuwe competitie aankondigden, vielen enkele zaken op. Ten eerste dat het een doorslagje zou worden van de ‘Kings’s League’ van voormalig Barcelona-coryfee Gerard Piqué. Gekke regels, bekende koppen,… Dat het geen volledig nieuw idee zou zijn, was meteen duidelijk.

Dat Mertens en Vertonghen wel de gezichten waren, maar verder geen heel aanwezige rol zouden invullen, was te verwachten, maar niettemin toch wat teleurstellend. Beide heren maakten in de eerste twee afleverignen wel een acte de présence, maar daarin zeiden ze niet veel en was hun bijdrage uiterst gering. Te weten: Dries Mertens gaf dan nog een hele aflevering lang commentaar.

Ten derde was duidelijk: er zou een heel mediacircus rond opgetuigd worden.

Heet je geen Doku, dan heb je een probleem

Begin je aan de eerste speeldag, bestaande uit vier afleveringen van telkens 50 minuten, dan word je er een beetje in het diepe eind ingegooid. De regels ontdek je gaandeweg. De spelers? Die ontdek je eigenlijk amper tot niet. Vrij snel wordt de aftrap gegeven en van dan af gaat het snel. Het voetbal passeert aan een rotvaart en is zelfs best onderhoudend. Maar wie die mensen zijn die daar 6 tegen 6 een balletje staan te trappen, daar heb je het raden naar.

Bij het begin van iedere aflevering worden er een drie- tot vijftal spelers kort uitgelicht en naar de anderen heb je het raden. Heet je geen Doku (de broer van Jérémy), dan heb je maar weinig bestaansrecht. Er mag onbeperkt worden gewisseld, wat betekent dat de weinige spelers die je op dat moment kent eigenlijk voortdurend het veld weer moeten verlaten. Nergens wordt vermeld wie de wissels zijn of wanneer ze gebeuren – uitkijken naar je favoriete spelers wordt zo bijna onmogelijk.

Ook de commentatoren hebben het daar uiterst moeilijk mee. Heb je een gelegenheidscommentator als Jelle De Beule, dan merk je dat de andere presentator meer werk zal hebben aan het uitleggen van het spel aan zijn kompaan dan dat je ook echt iets inhoudelijk over het spel zal vernemen. Dat is op z’n zachtst gezegd zeer vervelend.

Waar is de storytelling?

Hoe werden de spelers geselecteerd voor de Masters? Hoe werden de ploegen samengesteld? Hoe werden de coaches geselecteerd en de duo’s samengesteld? Het zijn allemaal zaken waarop ik hoopte een antwoord te krijgen, maar wat voor ons voorlopig één groot vraagstuk blijft. 

Kunnen we daaraan toevoegen: hoe werden de commentatoren gekozen? Nicolas De Brabander doet het uitstekend, Dries Mertens nog verdienstelijk, maar de anderen maken er een boeltje van. Het is pijnlijk duidelijk dat ze geen ervaring hebben met sporten tegen dit snelle tempo. Ik vermeldde al het fiasco De Beule, maar ook ‘De Woordvoerder’ Carl Dircksens lijkt meer tijd en ruimte nodig te hebben om volledig tot zijn recht te komen. Waarom geven ze hier niet de kans aan e-sportscommentatoren? We beschikken over enkele landgenoten met naam en faam, en zo zouden de organisatoren meteen een breder publiek kunnen aanspreken. Gemiste kans.

Of toch: er is één naam uit de gamingwereld aanwezig met Eefje De Poorter. Waar wordt ze gezet? Letterlijk aan de zijlin, waar ze acteert als een vis op het droge. Haar vragen aan de coaches (tijdens de wedstrijd) zijn zelden diepgaander dan ‘wat gebeurt er?’ ‘Hoe ga ja dat aanpakken?’ ‘Wat is de tactiek?’ Het is dan ook geweldig wanneer ze wandelen wordt gestuurd door een gepikkeerde Wesley Sonck die haar droog meedeelt dat hij bezig is met de match. Uiteraard zijn ze op dat moment met iets anders bezig – wil je hen dan toch een vraag stellen, waarom dan niet gaan voor iets zotter dat bij het format past? Of nog beter: zet haar naast De Brabander en laat hen samen het vaste commentaarduo vormen.

Maddies of baddies?

Er vallen enkele grondige lessen te trekken uit deze eerste speeldag. De ‘boosters’ en ‘maddies’ zijn niet genoeg uitgedacht. Minder dan de helft leverde een extra doelpunt op – integendeel: op die momenten gingen de ploegen net defensiever spelen en viel het spel even stil.

De keuze van de coaches kan ook beter: Bockie De Repper had er duidelijk geen zin in; die eerste aflevering stond er met Royston Drenthe zelfs maar één persoon aan de zijlijn met voetbalverstand. Dat beterde in de volgende afleveringen, maar vaak viel toch op dat de ploegen onevenwichtig waren samengesteld. Het vreemdst van al: Sonck, de man met wellicht het meeste voetbalverstand van het hele spelletje, keerde huiswaarts met een 1-7 nederlaag aan de broek.

Voor sfeer en gezelligheid: 6/10

Er valt veel aan te merken op het format in zijn huidige vorm. Dat neemt gelukkig niet weg dat het een beklijvend format is en dat ik allevier de afleveringen op de eerste dag heb uitgekeken. Het voetbal spreekt aan, het is spannend en bij momenten zelfs entertainend. Het ontbreekt de makers evenwel aan de nodige samenhang. Neem wat mij betreft de ‘after-madness’ weg om wat meer duiding te geven bij de ploegen (al was het maar een opstelling en een bordje voor de wissels) en je hebt al een grote winst.

Hopelijk kennen de spelers bij aanvang van de volgende speeldag de regels al iets beter, dan kunnen ze misschien eens scoren met hun tijdelijke voordeel. Voor sfeer en gezelligheid krijgt Masters of Madness een welverdiende 6/10.

Beeld bovenaan: (c) Masters of Madness

Plaats een reactie